Waar komt de Leonberger vandaan?

Ter ere van het 150-jarig bestaan van de Duitse Leonberger Club werden de laatse onderzoeks resultaten bekend gemaakt over de herkomst van de Leonberger. Hieronder vindt u het meest aktuele verhaal, geschreven door Dhr. Zerle, president van de DCLH. Of dit nu het definitieve verhaal is blijft voorlopig nog even een vraag want alleen DNA onderzoek zou nog nieuwe feiten aan het licht kunnen brengen.

Moeizaam en zwaar was de weg die onze Leonberger, sinds zijn erkenning in 1846, gedwongen was om te gaan, zo schreef één van de meest markante en gewaardeerde “Präsidenten” van de Duitse Leonberger Club, Robert Beutelspacher in zijn voorwoord van zijn fokboek 1918-1967. Het uitgangspunt was de eerste helft van de 19e eeuw. De kynologie,(de leer van het fokken, dressuur en het houden van honden), stond nog in de kinderschoenen. Er bestonden reeds erkende rassen zoals de Jachthonden en Newfoundlanders. In die tijd werden steeds meer en vaker show georganiseerd waarmee dus ook het aantal erkende rassen steeg die overigens totaal verschillend beschreven werden. Zo waren er b.v. de Ulmer doggen of Böblinger honden, die gefokt werden door Eduard Kober de controleur van de suikerfabriek in Böblingen. Grote honden werden regelmatig ingedeeld en samengevat in de zgn. groep van “Berghonden” of “Alpenhonden”. Het middelpunt van de Duitse honden fokkerij was Württemberg, in het bijzonder de stad Leonberg. De fokkerij werd in veel gevallen beoefend door handwerkers, slagers, bakkers en een paar grote hondenhandelaren. Deze laatst genoemden kochten de honden uit deze omgeving op en verkochten ze in alle richtingen van Duitsland. Één van deze grote handelaren was Heinrich Essig, 1808 – 1889. Deze heer was in de hondenkringen een zeer omstreden persoon. De kopers gaven hem niets dan lof terwijl de handelaren hem wel konden schieten. De zakelijke nijd speelde hier met zekerheid een grote rol want Essig verkocht zijn honden daadwerkelijk overal en realiseerde daarbij goede winsten.

Hij verkocht op jaarbasis honderden honden en dat tegen top prijzen. Hoe beter de tentoonstellingsresultaten, hoe beter de prijs. Geen wonder dat de toenmalige hondenhandelaren de shows domineerden.

Vaak wordt de legende geciteerd dat Essig een hond wou fokken, die er net zo uit zag als de leeuw in het wapen van de stad Leonberg. Het was in elk geval een feit dat Essig een speciale voorliefde had voor zeer grote langharige honden. Dit hondentype probeerde hij te fokken d.m.v. het kruisen van verschillende grote rassen die in zijn bezit waren. Om de verkoop van deze honden te bevorderen gaf hij ze een naam, namelijk de Leonberger. De eerste pogingen om deze rassen te kruisen vonden plaats in 1840. Essig zelf schreef in 1877 aan de hondenhandelaar Seyfarth in Köstritz : ”Mijn honden, die ik sinds lange tijd fok en opvoed, zijn een geslaagde kruising tussen Newfoundlanders en de oorspronkelijken van St. Bernhardsberg, grote wolfshonden uit de Pyreneeën, waar ook de Bernhardiners vandaan komen en die ik steeds verbeterd heb. Ze zijn het grootste langharige hondenras, dat naast hun grootte, ook nog zeer intelligent, lief en mooi zijn. In alle documenten die over de Leonberger nog voorhanden zijn, zoals krantenartikelen en brieven uit de toenmalige tijd, is dit boven geschrevene de enige aanwijzing op het jaartal 1846, waarin de Leonberger is ontstaan. Er zijn auteurs die het verder zoeken, zij beweren dat er sinds meerdere honderden jaren, in de bergen van Württemberg, reeds een langharige grote hond bestond. Het enige aandeel wat Essig bij deze honden had was het feit dat hij deze honden gezocht en teruggefokt heeft en dat hij deze hond de naam Leonberger gaf.

De eerste uitgebreide rasbeschrijving komt van Th. Thering 1880 in zijn boek “Galerij van edele hondenrassen”. De “Essigse Leonbergers” waren naast de Newfoundlanders, die je tot hun naarste familie mocht rekenen, onder de langharigen de meest grote en imposantste honden. Honden van 80-82 cm schouderhoogte en een lengte van meer dan 200 cm (van snuit t/m staart) waren geen zeldzaamheid. Daarbij had de brede, dikke kop met verhoogd voorhoofd, de korte sterke snuit, met vol gekorrelde neus, het grote, ronde intelligente oog met zekerheid iets edels, liever gezegd iets leeuwenachtigs. Tot slot sprak de indrukwekkende, prachtige, dikke, langharige hals- en nekkraag voor zichzelf, die overigens bijna bij alle rijkelijk behaarde exemplaren te vinden was. De staart was prachtige licht doorgehangen en vol als een borstel, Leonbergers die de staart hoog op de rug gekruld droegen waren minder gevraagd, zij werden als niet volwaardige Leonbergers gezien. De hoofdkleur was bij de meesten wit met roestbruine strepen, geel bruine of zwarte vlekken en aan het hoofd een mooi gelijkmatig masker. Verwonderlijk is dat niet alleen het uiterlijk van de Leonberger beschreven werd maar steeds weer zijn fantastische karakter. Zo schreef de reeds hier boven genoemde Th. Hering 1876 in zijn kolom “Gartenlaube”: Hoewel ik als grote hondenliefhebber bijna honderd verschillende rassen heb bestudeerd, kan ik niet anders vaststellen dan dat het Leonbergerras het lichamelijk mooiste, geestelijk het intelligentste en edelste is van allen. En een paar regels verder : de trouw en het kindvriendelijke gemoed, de aanhoudende aanhankelijkheid, sowieso de uitmuntende geestelijke gaven van dit ras, zal het niet moeilijk maken om deze hond als u lieveling en vriend te kiezen.

Hoe kreeg Heinrich Essig, zie foto hierboven, het nu eigenlijk voor elkaar om de Leonberger in een relatief korte tijd zo bekend te maken? In die tijd, die hierboven beschreven wordt, was er al veel vraag naar grote honden. Steeds weer kun je overal lezen, dat ondanks het feit dat het roofridder tijdperk ten einde was, er nog steeds veel onveiligheid was. Logisch dat men dus terugviel op een grote machtige hond als bewaking van huis en tuin. De modetrend in deze tijd waren langharige honden, maar hier waren niet al te veel rassen van. Essig begreep snel dat hij met de modetrends mee moest gaan en liet daarom enkele prachtige Leonbergers schilderen door bekende schilders van die tijd. Deze afbeeldingen werden in zoveel mogelijk boeken, ook buiten Duitsland, afgebeeld en zorgden daarmee voor grote bekendheid van de Leonberger. Vanzelfsprekend stegen ook de prijzen. De Leonberger werd een mode hond en werkelijk op alle continenten verkocht. Deze hype duurde tot het begin van de 70-tiger jaren in de 19e eeuw en zoals dat nu eenmaal is gaan het snelle succes en de even zo snelle ondergang gepaard met elkaar. Het aantal kritiekasters nam snel toe en boze tongen in de vak wereld beweerden: “wat je niet definiëren kunt noem je het beste maar een Leonberger”. Een keurmeester genaamd Radetzki schreef het volgende keurbericht op de tentoonstelling in Maagdenburg in het jaar 1880 : De van Essig tentoongestelde langharige grote honden, 5 of 6 stuks, waren er tenminste 5 of 6 verschillende types, 5 of 6 verschillende koppen zaten op 5 of 6 verschillende rompen met evenveel verschillende staarten, ze hadden 5 of 6 verschillende kleuren met 5 of 6 verschillende vachten….. Ik begrijp niet dat Dhr. Essig bij het aanschouwen van al deze heerlijkheden, verward werd van zijn “eigen ras”.

Deze grote verschillen binnen een enkel ras deden er toe leiden dat de Leonberger vanaf 1876 op tentoonstellingen niet meer onder de naam Leonberger mocht verschijnen.

Ze werden vervolgens ingedeeld bij rassen die het meeste op hun leken, als ze geluk hadden mochten ze verschijnen onder de naam “Alpenhonden”. In bekendmakingen van die tijd sprak men regelmatig van Leonberger-Bastaarden of de zogenaamde “Leonbergers”. De trend sloeg nu over naar de Bernhardiners, die op dat tijdstip ook onder de naam “Alpenhonden” liepen.

Zo schrijft Hoffmann in 1901 in zijn boek : De huidige Bernhardiners werden in 1878 met bijzondere zorgvuldigheid behandeld. In mei 1879 kwam in Berlijn een commissie samen, die de raskenmerken voor deze rassen opstelde. Met deze zo genaamde erkenning was de Leonberger ten dode opgeschreven. In de strijd tussen de Bernhardiner en de Leonberger zou spoedig duidelijk worden wie de uiteindelijke winnaar zou zijn. De vele roem die de Leonberger zo snel vergaarde, is bijna compleet naar de Bernhardiner overgegaan. Het had werkelijk niet veel gescheeld of de Leonberger was compleet van de aardbodem verdwenen. Doch er gebeurde een wonder. In 1895 werd de “Internationale Club voor Leonberger honden” in Stuttgart opgericht. Deze club beschreef een geheel nieuwe Leonberger standaard en bereikte in 1895 reeds opnieuw de erkenning als ras. Tot aan de eerste wereld oorlog was er een stijgende lijn waarneembaar maar de hongerjaren en de periode na de oorlog zorgenden opnieuw voor een dieptepunt. Dit keer was het de hof fotograaf Stadelmann die zich voor de Leonberger sterk maakte en met de resten van het nog voorhanden genetisch materiaal, een nieuwe start maakte. In de tweede wereldoorlog kwam de Leonberger opnieuw in de problemen maar het bleef binnen de grenzen. Vandaag de dag heeft de Leonberger een vaste plaats in het veelvoud van de huidige honden rassen veroverd en wordt niet alleen binnen Europa maar ook in Amerika volgens strenge richtlijnen gefokt. Het is een vaststaand feit dat meerdere koningshuizen in Europa ook aan de Leonberger verknocht zijn. Sissy die Kaiserin von Österreich was één van hen en de laatst bekende die ons Leonberger ras vertegenwoordigde was Stephanie van Monaco.

Geschreven door : Gerhard Zerle, voormalig president van de DCLH, © copyright 2018